OM eist vier jaar cel tegen Palestijnse voorman voor miljoenensteun aan Hamas. ‘My job is Israël down’
Dit artikel stond eerder in het ND

Het Openbaar Ministerie heeft dinsdag vier jaar cel geëist tegen Amin A., waarvan een jaar voorwaardelijk, wegens het jarenlang beschikbaar stellen van geld aan Hamas. Volgens justitie stelde hij tussen 2010 en 2023 ruim acht miljoen euro ter beschikking aan de Palestijnse beweging, misleidde hij Rabobank over zijn rol en zette hij verboden geldstromen voort via stichtingen en tussenpersonen.
Amin A. oogt ontspannen wanneer hij dinsdagochtend de rechtszaal in Rotterdam betreedt. De man die bijna een jaar in voorarrest zat en in mei vorig jaar wegens zijn fragiele gezondheid vrijkwam, vertelt de rechters dat hij blij is dat de zaak nu eindelijk behandeld wordt. Ook zijn vrouw en dochters zijn aanwezig – één van hen is verdachte in dezelfde zaak.
Het OM ziet de man als een financieel radertje in het netwerk van Hamas. Maar de verdachte kijkt er anders naar. ‘Ik werk niet voor Hamas, ik doe humanitair werk.’
Sinds hij in 1992 als Palestijnse vluchteling in Nederland aankwam, zoekt hij naar manieren om zijn volk te helpen. Weeskinderen, ziekenhuizen, straatkinderen; dat is naar eigen zeggen zijn doelgroep. Als de rechter hem vraagt hoe hij aan zijn enorme, invloedrijke positie binnen de Palestijnse gemeenschap komt, is zijn antwoord: ‘Van Allah.’
Bank bewust misleid
Het OM schetst in de middag een ander beeld: dat van een doorgewinterde netwerker die weet hoe hij de mazen van de wet moet vinden om Hamas te kunnen steunen.
De kern van de aanklacht is dat de stichting ISRAA (die A. achter de schermen zou besturen) feitelijk een voortzetting was van de stichting Al Aqsa, nadat die in 2003 in Nederland verboden werd wegens financiële steun aan de terreur van Hamas.
A. weerspreekt dat. ‘Zie het als twee supermarkten in dezelfde straat’, zegt hij. ‘Als de ene sluit, kun je naar de ander. De stichting is niet overgenomen, het gaat niet om dezelfde besturen, er is sprake van een andere doelstelling.’
Toch lopen de lijnen in het dossier voortdurend door elkaar. Volgens justitie is A. altijd de drijvende kracht en ‘feitelijk leidinggevende’ gebleven. Dat bleek volgens de officier van justitie vooral toen banken begonnen tegen te stribbelen bij de overboekingen naar het Midden-Oosten.
Het OM stelt dat A. de bank bewust misleidde. Toen de Rabobank eiste dat een formulier werd ingevuld om de uiteindelijke belanghebbenden van de stichting vast te stellen, hield de verdachte zich bewust op de achtergrond. Zijn naam werd door het bestuur van de formulieren gehouden om te voorkomen dat de bank de geldkraan zou dichtdraaien, denkt het OM.
Terreurfinancier
A. benadrukt dat hij slechts een adviseur was om het geld bij weeskinderen te krijgen. ‘Ik wilde wegblijven van Hamas’, bezweert hij de rechters. ‘Ik heb echter veel kennis van de Palestijnse zaak, daarom komen mensen vaak bij mij en denken ze dat ik de baas ben.’
Het OM erkent dat er geld naar weeskinderen is gegaan, maar gelooft dat de stichting veel meer deed dan dat. Uit het dossier blijkt dat miljoenen euro’s direct of via Turkse omwegen (vanuit Turkije mag wel geld overgeboekt worden naar Hamas) terechtkwam bij organisaties die direct gelieerd waren aan Hamas.
Volgens justitie maakt ISRAA deel uit van een netwerk dat bedoeld is om in westerse landen geld in te zamelen voor Hamas, onder de dekmantel van liefdadigheidsorganisaties. Stichting ISRAA opende bovendien een kantoor in Gaza met een bankrekening bij de Islamic National Bank – een instelling die internationaal te boek staat als de financiële kluis van Hamas.
Het contrast bereikt een hoogtepunt wanneer de rechter begint over een bijeenkomst naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van Hamas in Gaza. Daarbij waren 250.000 mensen aanwezig, A. had een VIP-uitnodiging voor stoel 90 op de eerste rij.
Hij droeg een groen petje (de kleur van Hamas) en poseerde met toenmalig Hamasleider Ismail Haniyeh. Ook groette hij zijn Facebookvolgers vanuit het hart van het ‘gezegende verzet’. A. houdt het op toeval en dichtkunst. ‘Het was een groot feest, dan ga je toch kijken? En groen is de kleur van de islam.’
Undercoverbeelden
Tijdens het requisitoir stelt het OM dat van naïviteit geen sprake kan zijn. Justitie ziet ‘opzet’. A. kent Gaza als geen ander en zijn in beslag genomen telefoon is ‘doorspekt met Hamas-contacten’. De officier van justitie citeert uit undercoverbeelden die in het dossier zitten, waarop A. zegt: ‘My job is Israel down’.
Hoewel het OM begrijpt dat de strijd in Israël A. raakt (zijn ouders zijn Palestijnse vluchtelingen, zelf raakte A. een arm kwijt tijdens de Libanese burgeroorlog). Echter ‘het stellen van persoonlijke motieven boven de wet mag niet’, houdt het OM de rechtbank voor.
Justitie eist vier jaar cel, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De reeds uitgezeten 329 dagen worden daarvan afgetrokken. De voorwaardelijke straf is volgens het OM een noodzakelijke ‘stok achter de deur’. Het OM schat de kans op herhaling hoog in omdat A. zijn volledige identiteit ontleent aan de Palestijnse zaak.
A. ziet het anders. ‘Toen ik gearresteerd werd, is mijn leven gestopt’, vertelde hij de rechters dinsdag. ‘Ik heb dertig jaar lang geprobeerd mensen te helpen. Ik had een bedankje verwacht, in plaats daarvan lijkt het alsof ik dertig jaar in een zwembad van Hamas heb gezwommen.’
De verdediging richtte woensdag de pijlen op terrorisme-deskundige Ronald Sandee. Diens beoordeling was door het OM ingeroepen. De verdediging trok zijn betrouwbaarheid en onafhankelijkheid in twijfel. Volgens de advocaat runde de voormalig MIVD-analist zijn onderzoeksbureau samen met iemand met een verleden in de Israëlische inlichtingendiensten en voedt hij zich eenzijdig met informatie van Amerikaanse en Israëlische denktanks. ‘Er is geen sprake van wetenschap, maar van partijdige, gekleurde publicaties’, wierp de advocaat tegen.
Liefdadigheid of dekmantel?
Het OM stelde dinsdag, gesterkt door Sandee, dat het zogeheten Dawa-netwerk liefdadigheidsinstellingen zijn die in westerse landen geld inzamelen voor Hamas. Dat geld zou onder meer gaan naar familieleden van omgekomen Hamas-strijders. Amin A. zou via stichting ISRAA geld in hebben gezameld voor Hamas. Maar de verdediging verwees dat naar de prullenbak. De raadsman verweet justitie een religieus begrip ten onrechte te kapen. Binnen de islam is Dawa de plicht tot naastenliefde en maatschappelijke inzet, vergelijkbaar met christelijke zending of de collectezak, legde ze uit.
Volgens de advocaat stuurde Amin A. via ISRAA geld naar onafhankelijke lokale doelen, zoals de Mercy Association for Children (MAC). Het OM linkt die weeshuizen aan Hamas, maar de verdediging wees erop dat deze hulporganisaties níét op de Europese sanctielijst staan. ‘Als deze organisaties echt dekmantels van Hamas zijn, waarom heeft de EU ze dan nooit gesanctioneerd?,’ vroeg de advocaat zich hardop af. Zolang deze lokale doelen niet op die lijst staan, is het overmaken van geld via gecontroleerde banken geen misdaad, zo luidde haar pleidooi voor vrijspraak.
Salami-tactiek
Ook de overige pijlers onder de aanklacht werden één voor één ontmanteld. Dat Amin A. op de foto staat met voormalig Hamas-leider Ismail Haniyeh, maakt hem volgens de raadsvrouw nog geen financier. Ze benadrukte dat het ging om ontmoetingen tijdens internationale hulpkonvooien, waarbij men de gesprekspartners niet altijd voor het uitkiezen heeft. De bewuste VIP-passen voor de voorste rij werden uitgedeeld in de bus. Dat lokale Palestijnse bestuurders van de weeshuizen zich op internet soms fel uitspreken tegen Israël, noemde de verdediging niet fraai, maar in de context van een decennialange bezetting geen juridisch bewijs dat zij behoren tot een terreurorganisatie.
Het betoog leidde tot een felle botsing met het OM. Justitie verweet de verdediging de ‘salamitactiek’: door elk snippertje bewijs – de expert, de lijst, de foto’s – in isolatie los te snijden en te vergoelijken, probeert men de zaak onschadelijk te maken. ‘U moet de bewijsstukken in hun onderlinge samenhang bezien, zo krijgt het bewijs zijn volle kracht.’
Tijdens de koffiepauze, vlak voor zijn laatste woorden, liet Amin A. onophoudelijk zijn gebedsketting door zijn handen gaan. ‘Ik heb kracht nodig, daarom doe ik smeekbeden,’ legde hij desgevraagd uit.
Bij zijn laatste woord betoogde hij dat hij oprecht gelooft geen fouten gemaakt te hebben. ‘Ik heb dertig jaar geprobeerd behoeftige Palestijnen te helpen.’ Aangedaan door de geëiste vier jaar cel, deed hij een dringend beroep op de rechters om hem niet meer vast te zetten. ‘Weer terug naar de gevangenis, dat is voor mij de doodstraf.’
De rechtbank doet op 27 mei uitspraak.
Waardeer dit artikel!
Jouw steun maakt onafhankelijke journalistiek mogelijk! Dit artikel las je gratis, maar het schrijven kostte tijd en onderzoek. Wil je bijdragen aan deze journalistiek? Met een kleine donatie help je mij om dit werk voort te zetten.
Elke bijdrage, groot of klein, maakt een verschil. Dank je wel!
